
In het gemeentelijk archief is veel te vinden over Driekus, een van de prominente bergenaren. Hieronder een aantal van deze verhalen.
DRIEKUS
SPUUGPOT
KATTENKWAAD
CAVIA VAN MEVR. ASSELBERGS
ERREBEESIES
DE SCHELE
PISBAKKEN
JANUS VERHOEVEN (EERSTE
NAOORLOGSE STEKETEE)
WIJWATER
FOKBEWIJS
DRIEKUSLIED
STADSWANDELING
Hendrikus Schot (bijnaam de Schele) werd in Bergen op zoom geboren op 1 Januari 1900. Hij was enigst kind van Jacobus schot en Betje van As. Driekus is geboren in een stuitligging. Iets wat voor die tijden een zeer moeilijke en zware bevalling was. En het scheelde niet veel of Betje en de kleine Driekus hadden het niet overleefd. Om veiligheidsredenen verbood de dokter daarom Betje om na Driekus nog kinderen te krijgen. Dit was voor haar geen probleem. Ze vertelde haar man dat de dokter het verbood om nog enige vorm van sex met haar man te hebben. Voor Betje was dit niet moeilijk omdat ze het sowieso allemaal maar een gedoe vond maar voor Jacobus kondigde zich een zeer zware tijd aan. Na een korte tijd werd hij al gezien met andere vrouwen. Iets wat ook verteld werd aan Betje. Als ze weer eens hoorde dat haar man met een andere vrouw gezien was haalde ze haar schouders op en vertelde dan dat ze het belangrijker vond dat hij wist waar hij zijn zwaar verdiende centen moest laten (bij haar) en dat hij zijn handen moest wassen voor het eten.
Driekus was geboren in de Dubbelstraat. Het was een klein bouwvallig huisje. Een huisje waar zichtbaar de tijd had toegeslagen. Van het soort waar de stad vol mee stond. Het was in bezit van de Fam Simons. Fam Simons van hotel de leeuw van Vlaanderen in de Steenbergsestraat 19 bezat veel panden die maandelijks veel geld opleverde. Veel fabriekspanden in de dubbelstraat waren van deze rijke familie. Er werd per maand veel geld opgehaald door de huurophaalders. Dit waren meestal grote kerels die bij de mensen hun huur kwamen innen en ook de vader en moeder van de kleine Driekus moesten er voor zorgen dat ze iedere maand weer het geld klaar hadden liggen. Dit ging niet altijd op een leuke manier zoals je wel kan indenken. De huurophalers waren ruwe kerels die iedere maand weer de huur kwamen halen bij mensen die het niet zo breed hadden.
Er is een anekdote bekend van de moeder van Driekus, het verhaal ging dat Jacobus weer eens aan de zwier was geweest met een van zijn vriendinnen in de stad. Hij was stomdronken thuis gekomen. Toen Betje vroeg waar het geld voor de huur was vertelde hij met een dronken kop dat hij dat allemaal opgezopen had. Vervolgens kotste hij de spuugpot vol(een pot waar je je speeksel in tuft als je aan tabak aan het pruimen bent). Betje was hierover zeer boos en schelde Jacobus zijn huid vol. Op dat moment kwamen twee grote huurophalers aan de deur om de huur te innen. De huur die Jacobus had opgezopen. Ze pakte de spuugpot en gooide deze over de twee mannen heen. Ze schreeuwde tegen hen dat dat de huur was van die maand en dat als ze meer wilden maar over een paar minuten terug moesten komen omdat haar man dan waarschijnlijk de spuugpot weer vol had.

Kleine Driekus groeide op in deze straat en had hier veel vriendjes en vriendinnen. Vroeger werd er veel gespeeld op straat en op de vischmarkt. Toen een druk marktplein waar veel te beleven was. Regelmatig werd de kleine Driekus achterna gezeten door markt lieden als hij weer eens een paar appels of peren gestolen had. Hij groeide op voor galg en rad. Hij werd een bekende bij de veldwachter die ook regelmatig probeerde om hem te pakken te krijgen. Als Driekus dan thuis kwam na een dag vol kattenkwaad was meestal de veldwachter al bij hem thuis geweest. Zijn moeder stond hem met de mattenklopper of een stuk hout op te wachten. Als je nu goed luister hoor je de kleine Driekus nog kermen van de pijn als hij van zijn moeder er weer van langs kreeg. Zijn ouders maar vooral z’n moeder deed er van alles aan om de kleine op het goede pad te krijgen en te houden.
Toen Driekus een jaar of 10 was (1915) werd zijn vader opgepakt voor diefstal. Hij moest of veel geld betalen aan de staat of naar een werkkamp waar hij hard moest werken om zijn straf af te betalen. Het werd het strafkamp omdat hij geen geld had om zijn straf af te betalen. Hier heeft zijn vader veel afgezien en ontberingen gekend want hij is daarna nooit meer dezelfde geweest. In deze tijd is zijn moeder gaan werken als huishoud hulp bij de familie Asselbergs. Een groot en rijk man. Zeer bekend in deze regio. Ze hadden een metaalfabriek(waart nu Albert heijn is aan Vlaszak) wat winkels en een brouwerij (B3 paralelweg). Zijn moeder ging werken aan Bolwerk waar deze familie een grote villa had laten bouwen. Deze villa was genoemd naar de vrouw van dhr Asselbergs en heette Helena.
Een leuke anekdote uit deze periode: Driekus was in het huis aan het spelen en rond aan het neuzen,dit terwijl hem meerdere malen verteld was dat dit niet mocht. Als mevr. het zou zien dan werd Betje er zeer zeker op aangesproken en misschien wel ontslagen want een jongen van mindere komaf was in die tijd helemaal niet welkom in z’n duur en sjiek ingericht huis. Het interieur bestond uit zeer veel duren dingen als antiek en kunst. Nu was het zo dat mevr. Asselbergs veel hield van kleinen diertjes en ze had op een kamer een kooitje met daar in een cavia.
Op een dag was Driekus weer eens aan de aandacht van zijn moeder ontsnapt en liep een beetje rond te kijken in het huis. Op dit moment was er van de familie niemand thuis dus hij had alle vrijheid. Hij deed een deur open op de 1e verdieping en kwam in een kamer waar mevr. Asselbergs een kooitje had staan met een cavia. Een mooie zwarte. En zo onder de indruk van z’n klein zacht en lief diertje wilde kleine Driekus dit diertje wel een van dichtbij bekijken. Hij opende het kooitje en pakte het diertje er uit. De cavia was schijnbaar niet gewend aan van die kleine grijpgrage handje en al snel vond Driekus dat het diertje wel heel stil in zijn handen lag. Hij porde het diertje. Misschien was het in zijn handen in slaap gevallen. Maar hij zag al gauw dat het diertje de shock niet overleefd had. Het diertje was zo geschrokken en lag dood in Driekus zijn hand. Nu toch wel enigszins geschrokken legde hij het diertje heel snel terug in zijn kooitje. Deed dit weer dicht en dacht goed na wat hij zijn moeder moest vertellen.
Op zoek naar zijn moeder om haar het slechte nieuws te vertellen bedacht hij ook dat hij haar moest uitleggen wat hij boven op die kamer deed. Dit terwijl er al zo vaak gezegd was tegen hem dat hij daar niet mocht komen. Zijn billen deden al zeer van de gedachte dat hij slaag met de mattenklopper zou krijgen. Maar hij vond het nog erger dat zijn moeder het nieuws ook moest vertellen aan mevr. Asselbergs. Hij besloot het huis stiekem uit te sluipen en buiten goed na te denken wat hij zou doen. Hij wist dat een bekende uit zijn straat ook cavia’s had. Hij zou daar naar toe gaan om te vragen wat hij moet doen. Daar aangekomen vertelde hij zijn verhaal. Zijn vriendje vertelde Driekus dat cavia’s hele zenuwachtige beestjes waren die zomaar dood konden neervallen als er iets gebeurde wat ze niet verwachte. De grijpgrage handjes van driekus zag deze cavia als zeer bedreigend en daar was het hartje van het beestje niet tegen bestand. Het vriendje vroeg Driekus achter in de schuur te komen kijken waar hij zijn cavia’s bewaarde. Hij zag daar wat oudere cavia’s maar ook jonge dieren van een jaar of zo.
Toen zijn vriendje even niet
oplette pakte hij een beestje uit de kooi die het meeste op de cavia van mevr.
Asselbergs leek en stopte deze snel in zijn broekzak. Toen als een speer naar de
villa gelopen,en zonder dat iemand hem zag stopte hij het jonge beestje in de
kooi en nam de dode mee. De dode cavia begroef hij in de tuin van de villa.
Driekus was weer eens goed weggekomen en vol zelfvertrouwen in zijn oplossing
liep hij terug naar huis. Niemand in het huis had in de gaten gehad dat hij het
diertje verwisseld had.
Veel later hoorde we een ander verhaal bij de Fam Asselbergs er was een groot
wonder gebeurd. Iets wat in heel Nederland voor veel opschudding zorgde.
Bij de fam Asselbergs was iets heel bijzonders gebeurd. Toen Mevr.
Asselbergs vroeg in de morgen in de woonkamer kwam om haar cavia wat eten en
drinken te geven zag ze dat het beestje stijf en stil in zijn kooitje lag. Ze
had al langer cavia’s gehad dus ze wist heel goed wanneer zo’n beestje dood was.
Omdat ze op die vroege morgen geen tijd had om hem op te ruimen en ook wilden ze
de huishoudster er niet mee lastig vallen besloot ze om kooitje met de cavia
erin op de een kamer te zetten op de eerste verdieping. Dan zou ze vanavond als
ze thuis kwam het kooitje leeg maken en het beestje in de tuin begraven. Alleen
het was als een wonder want toen ze s avonds thuiskwam was het beestje weer
springlevend. Wij weten nu hoe dat kwam.
Toen Driekus een jaar of 60 was had hij een moestuintje. Dit moet ergens bij de havendijk gelegen hebben. Hij was nooit getrouwd geweest en moest toch op de een of andere manier aan eten komen. Daarom kwam hij op het idee om een moestuintje bij te houden. Je eigen groente verbouwen leek hem wel wat. Daarom ging hij om de dag naar zijn moestuintje om te kijken hoe zijn spruiten,rode kool,spersies,boterboontjes en natuurlijk aardbeien er bij lagen. Regelmatig zagen ze Driekus door de stad lopen met een schep en een emmer. Waarom zou je zeggen, er liepen in die tijd nog veel paard met wagen rond. Van kooplieden maar natuurlijk ook van soldaten die waren er genoeg in de stad. Bergen was immers een garnizoen stad. Hij liep dan door de straten op zoek naar paarden poep, die schepte hij dan van straat zo in z’n emmertje. Vervolgens gooide hij deze leeg in zijn moestuin. Een welbekende kreet van Driekus klonk dan ook, we eten ons buikje rond met de groente die groeit in de paardenstront. Maar krijgen we de paardenstront niet te pakken dan moeten we er zelf over kakken.
Op een mooie zomerdag kwam hij weer eens aan bij zijn moestuin en hoopte dat hij mooie errebeesies mee naar huis kon nemen. Maar tot zijn verbazing zag hij dat er iemand aan het winkelen was geweest in zijn moestuintje. Waar mooie zoete rooie errebeesies moeten zijn waren kaal geplukte plantjes het enige wat hij er zag. Hij werd zelf rood van woede. Hoe haalde ze het i hun hoofd om van een arme man te stelen. En dan nog wel uit z’n moestuintje waar hij zo veel werk aan had gehad. Hij was trots op zijn tuintje en deze jat partij voelde hij in z’n hart. Vol woede dacht hij na wat hij er aan kon doen om te voorkomen dat ze al zijn groente zouden stelen. Zou hij moeten posten om de dieven op heterdaad te betrappen. Dan kon hij misschien wachten tot hij een ons woog. Daar had hij niet veel zin in. Ook konden de nachten toch wel koud zijn hij zou ziek kunnen worden. Nee dat zag onze Driekus niet zitten. Hij had een andere oplossing. Een ieder die lang de moestuin zou rijden zag een groot bord in het midden staan met daarop groot geschreven. Dieven niet meer jatten want ik heb vergif op m’n patatten.
DE SCHELE
Het volgende verhaal van
Driekus gaat de ronde ik heb het van zeer betrouwbare bron.
Hij is werkzaam geweest bij de
gemeente. Als lid van de plantsoenendienst liep hij vaak door de binnenstad met
een veegkarreke. Dat was een duwkar met een schop een veger en een grote bak
waar het vuil in moest. Door dit baantje kwam hij veel in contact met de mensen
in de stad en werd hij een zeer bekende Bergenaar. Iedereen kon hem en hij kon
iedereen.
Ook werd hij regelmatig tijdens zijn ronde in de stad binnen geroepen om bv binnenplaatsen schoon te vegen bij cafés e.d. Of om de straat net bij de cafés netjes te houden. Iedere keer als hij dat dan gedaan had kreeg hij van de kastelein een neutje. Regelmatig zagen ze Driekus dan ook aan het eind van de dag waggelend achter zijn duwbakkie lopen. En regelmatig vonden ze hem slapend ergens in een stil steegje.
In deze tijd was het dat de baas van Driekus hem een keer bij hem riep met een nieuwe opdracht. Want hij was de dag daarvoor weer stomdronken op de gemeentewerf aangekomen. Zijn baas had voor hem een speciale opdracht. Hij moest met een geweer aan de rand van de stad een op de hand zijnde kraaien plaag tegen gaan. Wat moest hij doen, hij moest naar de plekken waar grote groepen kraaien waren proberen zoveel mogelijk kraaien neer te schieten. De bijnaam van Driekus in deze tijd(hij had er gedurende zijn leven velen) was DE SCHELE en die naam had hij niet voor niks. Hij zag wel eens scheel als hij te veel gedronken had maar hij was ook met een scheel oog geboren. Hij was zo bijziend als de pest.
Maar ja als de baas wat wilt dan doe je dat. Dus hij op pad met z’n geweer en een doos vol kogels. In het kolenpadje(rijtuigweg) zo wist hij, zitten veel kraaien dus hij daar naar toe. En jawel kraaien zaten er genoeg. Driekus laadde zijn geweer en legde aan. Met zijn schele oog probeerde hij zoveel mogelijk kraaien neer te schieten. Maar het lukte niet zo best. Hij schoot er meer naast dan dat hij ook maar een kraai uit de bomen schoot. Je snap al waar ik naar toe wil want omdat onze Driekus zo scheel was als een oeter en hij er niks van bakte, is de reden waarom we op de dinsdagavond tijdens de sluiting van de Vastenavend op de grote markt drie keer moeten schieten op de kraai voor dat hij valt. We weten het niet allemaal maar dat hebben we toch aan onze Driekus te danken.

Ook was in deze tijd het verhaal dat Driekus veel in de rand van de stad werkte aan de gemeente groen stroken. Kleine parkjes waren overal en moesten bij gehouden worden. Je weet wel harken,wieden en maaien. Maar we weten ook dat onze Driekus nogal eens een biertje dronk en een borreltje. Daarom zagen ze hem op het einde van de dag regelmatig ergens liggen slapen. Dat vonden ze misschien niet zo erg maar ze zagen hem ook op de raarste plekken pissen.
Natuurlijk als je veel drinkt moet je veel pissen. In deze tijd had hij een andere bijnaam die kan je wel verzinnen. DE ZEIKERD precies. Zijn baas hield het in de gaten en verbood Driekus om overal te pas en te onpas zijn leuter er uit te halen en te lopen zeiken. Veel mensen vonden dit heel vervelend. Een keer had er weer iemand bij zijn baas geklaagd over een dronken en pissende gemeente medewerker. Deze keer was zijn baas het beu en verzon een mooie straf voor Driekus.
Schuin tegenover villa Helena (in dit verhaal al eerder vermeld)was een parkkeet. Dit was een klein stenen gebouwtje van de gemeente waar medewerkers hun gereedschap konden opbergen. Driekus kreeg (en volgens mij als de eerste in Nederland) een taak straf. Hij moest aan dit gebouw aan de buitenkant maar uit het oog van de mensen pisbakken maken. Dit was zijn straf omdat hij overal waar hij maar kon stond te pissen. Als hij in de toekomst weer moest hoefde hij maar naar deze parkkeet te lopen en hij kon zijn behoefte doen zoals alle andere fatsoenlijke mensen dit doen. Deze keet staat er nog en als je een keer in de buurt ben kan je gaan kijken. De parkkeet staan in de bocht van de zuidzijdezoom. Daar zal je zijn pisbakken nog zien staan.
JANUS VERHOEVEN (EERSTE NAOORLOGSE STEKETEE)
Hij was toen hij een jaar of Vijftig was knecht van Janus verhoeven. Janus was de plaatselijke paardenhoefsmid en de eerste naoorlogse Steketee. Hij woonde aan de van de Rijtstraat. Het was een feestvierder en een levensgenieter. Het gebeurde vaak dat hij driekus in de middag alleen liet op de smederij om zelf de kroeg in te duiken. Janus maakte dan met klanten afspraken zoals kom morgenmiddag maar dan zorg ik ervoor dat het klaarstaat. En als de klant dan kwam dan was Janus al vertrokken naar de kroeg en kon Driekus het verder alleen opknappen.
Dit werd hem een keer te veel iedere keer weer kreeg janus het voor elkaar om met klanten afspraken te maken die hij kon opknappen. Hij stond in de winterkou een keer tot toch zeker 00.00 uur te werken toen Janus eindelijk naar huis kwam.
Hij was zo dronken dat hij bijna niet meer op z’n bene kon staan. Hij riep Driekus erbij om hem te helpen de voordeur van zijn huis open te doen. Driekus die zeer kwaad was omdat hij heel de avond moest doorwerken terwijl zijn baas in de kroeg zat vertelde hem dat hij het kon bekijken. Hij moest toen van ellende in de koude smidse slapen.
De smidse had in de volksmond ook de bijnaam het schuurke. Regelmatig zong Driekus daarna voor Janus tijdens zijn werk een ons aller bekend liedje we slapen vanacht in t schuurke t schuurke t schuurke... Janus heeft dit later tijdens de Vastenavend gebruikt en nu zingen we het nog steeds.

Er zijn nog kleine anekdotes bekend die Driekus tijdens een borreltje in t cafe vaak vertelde tegen degene die het graag hoorde wilden.
Zoals de dag dat hij als misdienaar in de st Josephkerk wel ineens heel erg moest piessen(hij zal zijn hele leven lang een zeikerd blijven) het is alleen wel heel vervelend als er niets is om in te pissen. En in een kerk vol kan je niet zomaar ff in een hoekie gaan staan. Hij heeft toen de wijwaterketel gepakt om in te pissen. Hij had gehoopt dat de pastoor deze niet nodig had tijdens de dienst. Maar ja helaas, hij moest er mee naar voren en de pastoor begon de kerk vol met gelovige parochianen te zegenen met het wijwater dat Driekus er nog geen vijf minuten daarvoor had in gepiest.
Ook het verhaal van het varkensfokbewijs werd door hem steevast verteld,het verhaal ging dat hij naast Nuyten woonde. Dat was een groot gezin met 13 kinderen. Ze hielden er altijd een varken in de tuin en om deze vet te mesten en als de tijd er voor was te slachten moesten ze een zogenaamd fokbewijs hebben. Op het bezit hebben hiervan werd gecontroleerd door de gemeente. Een controleur klopte bij hen aan en vroeg naar het welbekende fokbewijs. Toen dit door de zenuwachtige Kees Nuyten niet snel genoeg gevonden werd stond zijn vrouw met het trouwboekje te zwaaien, ee Kees as je da fokbewijs nie vinde kan dan mot je di mar geve….
Driekus was geboren in Januari 1900 in de Potterstraat. Het huisje staat er nog. Hij heeft heel wat beroepen gehad en stond bekend in heel Berrege. Hij kon zalig verhalen vertellen over bekende Bergenaren en dingen die hij in de loop van zijn leven had meegemaakt. Een paar ervan heb ik hier opgeschreven maar er zijn er nog veel en veel meer. Ik zou er een boek over kunnen schrijven. Natuurlijk kennen we allemaal zijn verhaal van de kermisdag die hij liever alleen hield. Ik bedoel dus zonder vrouw. Een lied wat we met de Bergse Vastenavend nog steeds luidkeels meezingen. Het was een goede man maar zijn vlees was zwak daar kwam hij iedere keer weer achter, zes coupletten lang en zijn vrouw Kaat ook. Naar haar is een straatje genoemd en misschien dat we daarom de tijd gaan meemaken en misschien is het allang tijd, dat we hier in ons eigen berrege ook een Driekusdreef gaan krijgen.
En als we de drie knallen tijdens het vallen van de kraai diep in ons hart weer voelen zullen we aan hem denken. 1965 was het jaar dat hij stierf. Op vijfenzestig jarige leeftijd is hij in zijn slaap overleden. Een grote Bergenaar die we nooit en te nimmer mogen vergeten. We zullen er voor zorgen dat hij altijd in ons hart zal zijn.
OP DRIEKUS………PROOST

STADSWANDELING
In de Voetsporen van Driekus is ook als stadswandeling te verkrijgen. Dit is een route langs herkenningspunten uit het leven van Driekus. Je staat er versteld van hoeveel dat er nog te zien is van het gene dat hierboven is beschreven.